Van 25-7 naar 32….

De afgelopen weken een mooie start van 2018 gemaakt. Meestal vind ik januari zo’n maand waar geen doorkomen aan is. De gezelligheid lijkt weg, de dagen zo donker en somber en eigenlijk niks ‘leuks’ om naar uit te kijken. Januari 2018 was echter alles behalve saai. Na de Kerstvakantie waren er verschillende scholen waar ik afspraken mee had en ik was zó benieuwd hoe het liep. Zou er bij sommige groepen toch weer een klein ‘stormpje’ ontstaan zijn? Bij een enkele school startte een nieuwe leerkracht met de groep; ook altijd weer spannend wat er gaat gebeuren. Maar, ik kan (vol trots) zeggen dat de scholen die ik begeleid alle januari-stormen doorstaan hebben. Trots ben ik dan op de leerkrachten die aan de slag zijn gegaan met mijn tips en resultaat zien van de inspanningen die ze geleverd hebben.

Want groepsvorming, groepsvormingsprocessen, groepsvormingsactiviteiten. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend. Wanneer het allemaal lekker loopt, is er ook niks aan de hand. Maar dat ‘lekker lopen’ gebeurt écht niet vanzelf. Het heeft te maken met hoe de leerkracht hier mee omgaat of eigenlijk regie op voert. Actief regie voeren op groepsvorming wil zeggen dat je als leerkracht je bewust bent welke groepsvormingsfasen er zijn én hoe je deze kunt begeleiden. Het herkennen van de fasen is al een kunst op zich, maar er bewust (en daar zit ’t ‘m in!) regie op voeren is een ander verhaal. Als leerkracht zul je moeten herkennen en erkennen in welke fase jouw groep zit. En natuurlijk, de fase van storming voelt soms als code rood. Maar ook dan heb je een keuze; deze verduren en hopen dat het daarna vanzelf wel goed komt. Óf je gaat er bewust regie op voeren door groepsvormingsactiviteiten in te zetten en de missie, regels en routines duidelijk te hebben (Bijlsma, 2014).

Wat mij opvalt is dat de hulpvragen van scholen heel divers zijn. De ene keer zit de kern meer in de regels en routines in de klas, maar soms is het ook zo dat het ín de klas prima gaat, maar de vrije momenten niet door te komen zijn zonder problemen. Die dan vervolgens weer in de klas doorspelen. Kinderen lijken voortdurend af te tasten hoe ze bij de groep kunnen horen en zich af te vragen ‘wie zijn mijn vrienden?’. Ofwel; wie kan ik vertrouwen?

Even een stukje theorie. Ontwikkelingspsycholoog Damon (1988) verdeelt de ontwikkeling van vriendschap in drie stadia:

Stadium 1: Vriendschap gebaseerd op het gedrag van anderen (4 – 7 jaar).         In dit stadium worden kinderen als vriend gezien wanneer anderen hen aardig vinden, speelgoed met hen delen en samen kunnen deelnemen aan activiteiten. Eigenlijk zijn de kinderen met wie ze het grootste deel van hun tijd doorbrengen hun vrienden. Persoonlijke eigenschappen van de ander worden niet meegewogen. Het hangt vooral van het gedrag van de ander af of iemand ‘een vriend’ is ja of nee. Kinderen die niks delen, die slaan of de ander pijn doen of niet mee spelen, worden niet aardig gevonden en zijn dus geen vriend. Vrienden zijn dus vooral kinderen die zorgen voor plezier en interactie.

Stadium 2: Vriendschap gebaseerd op vertrouwen (8 – 10 jaar).                                   In dit stadium krijgen kinderen een gecompliceerde kijk op vriendschap; persoonlijke eigenschappen en kenmerken worden meegewogen. Zo ook de beloning die een vriendschap oplevert. Maar het belangrijkste element in deze periode is het wederzijds vertrouwen. Vrienden zijn kinderen die er voor je zijn als je ze nodig hebt. Als het vertrouwen wordt geschonden, wordt dit zwaar aangerekend. De ander kan het niet zomaar goed maken door weer een keer gezellig samen te spelen. Iets wat in het vorige stadium nog een prima oplossing was. Er worden formele verklaringen en verontschuldigingen van hen verwacht voordat de vriendschap weer hersteld kan worden.

Stadium 3: Vriendschap gebaseerd op psychische nabijheid (11 – 15 jaar).                                  Dit stadium start zo aan het einde van de basisschooltijd. Intimiteit en loyaliteit zijn belangrijke criteria voor vriendschap in deze periode. De vriendschap wordt gekenmerkt door psychische nabijheid, wederzijdse openheid en exclusiviteit. Kinderen kijken in deze periode meer naar naar de psychische voordelen die een vriendschap meebrengt, dan naar de activiteiten die ze kunnen delen. Ze krijgen ook een duidelijker beeld van gedrag waar ze een hekel aan hebben en welk gedrag van de ander ze kunnen waarderen. (Feldman, 2013)

Dit verklaart dus ook waarom het in de groepen 5 en 6 soms zo lastig is om van een groep een groep te maken. Kinderen moeten kunnen inzien en ervaren hoe het wederzijds vertrouwen ‘eruit ziet’. De leerkracht speelt hier een belangrijke rol in door bewust groepsvormingsactiviteiten in te zetten die gericht zijn op ‘vertrouwen’ en het inzicht in elkaars kwaliteiten en valkuilen te geven. De Groene Spelen kunnen prima bijdragen aan het krijgen van vertrouwen in elkaar (Van der Einden en Pecht, 1995). Wanneer een kind weet waarin hij of zij de ander kan vertrouwen, levert dit een vriendschap op. Inzicht in talenten en kwaliteiten kunnen hier een positieve bijdrage aan leveren.

Afgelopen week heb ik een voorbeeld van een soort van samensmelting van vertrouwen gezien. Tijdens de eerste observatie die ik deed (zo’n twee maanden geleden tijdens het buitenspelen), splitste de groep zich onmiddellijk op toen ze eenmaal door de de buitendeur waren; 32 -7. En nu… heeft de groep sámen een buitenspel bedacht wat ze sámen spelen! De leerkrachten hebben gewerkt aan vertrouwen door groepsvormingsactiviteiten zónder wedstrijdelement, maar mét ‘vertrouwen in elkaar’ in te zetten. Daarnaast zijn ze in de klas op zoek gegaan naar kwaliteiten en talenten en hebben deze bewust in gezet.

Het allermooiste was nog dat ik kwam observeren en de leerkrachten mij nog niet geïnformeerd hadden over de ontwikkeling die ze doorgemaakt hadden met de groep. Dus ik ging met de leerkracht en de groep naar buiten voor een aantal begeleide groepsspellen. Deze verliepen vol enthousiasme van zowel de kinderen als de leerkracht. Wat een energie! En vervolgens kwam er een ‘vrij’ moment en speelde de klas sámen het zelfbedachte spel. Iedereen deed mee. Niks 25-7, maar 25+7=32 samen! Ik stond met het kippenvel op mijn armen… en dat was niet van de kou.

Het is bijna februari, maar… laat het nog maar even januari zijn. Ik geniet van deze maand!

Wat doe jij aan het ‘vertrouwen’ in jouw klas? Heb je leuke ideeën? Laat ze dan achter en deel ze.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *